In 1930, België's eeuwjaar, weerklonk de Brabançonne luider dan ooit. De patriotten probeerden stellig de Vlaamse Leeuw te overstemmen. Tienen gaf daarin de toon aan. Juni werd er een lange, 'hete' maand. Op de 8ste ging er een historische en folkloristische stoet om. De katholieke vrije scholen beeldden met zeven kindergroepen en twee praalwagens het Belgische beschavingswerk in de kolonie uit. De tekenleraar van de normaalschool, Van Gramberen, ontwierp dit onderdeel. Zijn ontwerp behaalde de 2de beker, die werd geschonken door de 'ligue des commerçants de Tirlemont'. Directeur Brosens boekstaafde trots dat men de andere Tiense scholen daarmee de loef afstak. Vlaamse verenigingen namen niet deel. Zij waren immers niet uitgenodigd. Met de steun van De Standaard zetten de Vossen, de Vlaamse Oud-Strijders, een week later, op zondag de 15de, een amnestiebetoging op het getouw. Suikerbaron Bergé legde speciale treinen in naar de Brusselse Ommegang. De winkels sloten. De boycot mocht niet baten en de bijval in Vlaanderen werd er des te groter om. Doorheen de Vlaamse Leeuw hoorde men spotvogels zingen: 
'En raaien is plezant, en raaien is plezant, 
als meneer Bergé maar wil betalen!'
 
De Hagelandse Weergalmers stapten mee op. In deze periode werden de ruiten van het pas geopende Vlaamse Huis op de Grote Markt aan diggelen gegooid en patrouilleerde de Vlaamse Wacht met knuppels door de straten. 

vernederlandsing 

vaderlandslievende bisschoppen

Met hun brief van 27 juni goten de bisschoppen olie op het vuur. De vaderlandsliefde werd er hooggestemd in beleden, het nationalisme tot onder de grond afgebroken: 

'Men late dus eens voorgoed die stelsels varen welke 
van allen grondslag ontbloot zijn en misdadig in kun 
praktische toepassingen, die namelijk welke aan Vlaanderen 
of Wallonië de voorrechten willen toekennen 
die alleen aan België toebehoren!'
 

Vreemd genoeg werd de tekst buiten de Tiense kerken ook verspreid door de 'Association pour la propagation de la langue française', een vereniging die het hart normaal niet op de klerikale plaats droeg. Kortom, Tienen leek soms in dat memorabele jaar een omgekeerd wereldje...

Directeur Brosens trachtte zijn school in de mate van het mogelijke wrijvingvrij te houden. Helemaal lukte hem dat niet. Dat een aantal Vlaamse leerlingen niet zo happig waren om op te stappen in de eeuwfeeststoet, deerde hem niet erg. Hij had ruimschoots de keuze uit jongetjes van de basisschool en andere vrijwilligers. Tijdens de les waren gesprekken over de gebeurtenissen taboe. Poësisleerling en flamingant J. Roggen hield twee dagen na de betoging van de Vossen een spreekbeurt over alcoholisme. Het onderwerp was geïnspireerd door de matigheidsbeweging van pater Maes. Langs de neus weg prees hij de Tiense herberguitbaters. 
'Hadden ze 's zondags voordien 
niet het goede voorbeeld gegeven 
door hun zaak te sluiten?!'

Die sneer kostte hem een publieke vermaning van leraar De Reymaeker en directeur Brosens beloofde hem een bezoek aan zijn vader. Het bleef - gelukkig vooral voor de directeur - bij een belofte. Ten huize Roggen in Hakendover wapperde immers die avond al de leeuwenvlag... 

Anderzijds wou Brosens een Vlaams imago niet totaal wegwissen. Zo werd op 25 april 1930, tijdens de paasvakantie, een vergadering van de Katholieke Vlaamse Sociale Studiekring toegestaan voor de studenten. De heer Rombouts, kaderlid bij de Boerenbond, besprak er het systeem van de spaar- en leenkassen. Tegenover de Vlaamse zaak werd officieel een politiek van geven en nemen toegepast. 

het geval Van Doninck

In verband met Brosens' opvolger als poësis-titularis, Jan Van Doninck, kunnen wij de juiste rol van de bestuurder niet inschatten. De poësis was sedert de directeurbenoeming van november 1928 voor de rest van dat schooljaar samengevoegd met de retorica. Pas bij de aanvang van 1929-1930 kwam de nieuwe klasleraar. Hij was, hoewel nieuweling in het onderwijs, niet de eerste de beste. Hij had immers met de grootste onderscheiding gedoctoreerd in de klassieke filologie. Naar het getuigenis van enkele oud-leerlingen bewees hij van de eerste lessen af een grote vakbekwaamheid. Zijn Vlaams idealisme en intellectuele eerlijkheid deden hem rechtlijnig denken. Waarom dan moeilijke Latijnse passages verklaren in een taal die de meeste van zijn pupillen niet in de nodige finesses beheersten? Hij waagde het dus bijwijlen zijn vak in het Nederlands te geven en stak zijn Vlaamse overtuiging ook niet onder banken of pupiter. Enkele franskiljonse leerlingen en ouders konden hem daarom niet pruimen. Het werd hem verboden Nederlands te spreken. Hij bleef echter toelaten dat de Vlaamse leerlingen in hun taal antwoordden. Het protest hield aan. Tijdens het 2de trimester kwam de inspecteur Latijn tijdens een les op bezoek. Van Doninck sprak Frans. De Vlamingen informeerden met gebaren of zij ook nu het Nederlands mochten aanhouden. Van Doninck knikte... De inspecteur gaf geen kik, maar tijdens de paasvakantie werd de leraar de laan uitgestuurd. 'Hij (Jan Van Doninck), de fameuze classicus, had het gewaagd voor zijn jongens van poësis Vergilius in het Nederlands te verklaren! Verdict: onderpastoor worden op Sint-Rochus! Dit is de visie van generatiegenoot, kanunnik Konstant Vangenechten. Saint-Roch à Bruxelles was toen zeker niet het gedroomde oord voor een vlaamsvoelende doctor in de klassieke filologie van dat gehalte. De Kerk woekerde in die dagen niet met geestelijke krachten!

regimewijziging

Deze verbanning treft des te pijnlijker in het licht van de verdere evolutie. In augustus 1930 werd een bisschoppelijke studiecommissie samengesteld 
'ten einde de noodige inlichtingen te bekomen 
aangaande de wijzigingen die op taalgebied 
in onze Colleges zouden dienen ingevoerd te worden'

Aldus de tekst van de vertrouwelijke uitnodiging aan directeur Brosens. En op de binnenbladzijde van Ons Tienen van 6 september 1930 stond in 10 regels een artikeltje: 
'Een blijde tijding voor de katholieke Vlamingen. 
De vervlaamsching van 't vrij katholiek onderwijs.'
 
Volgens de beschikkingen van de studiecommissie (20 augustus 1930) zouden in de zesde Latijn-Griekse van de Vlaamse colleges alle vakken behalve Latijn en Frans in het Nederlands gegeven worden, in de 6de Moderne ten minste 10 lesuren in of door het Frans. In de hogere klassen bleef het regime zoals het was, d.w.z. alleen Grieks, godsdienst, natuur- en scheikunde werden in de moedertaal onderricht. Soms stelde men zich ook daar echter breed op. E.H. Van Dormael, van huize uit nochtans franstalig, had bij het eindexamen Latijn niets tegen het gebruik van het Nederlands.

Het experiment werd voortgezet doch definitief werd de vernederlandsing pas, tegelijk met het officieel onderwijs, doorgevoerd na de wet van 14 juli 1932. Zij vorderde vanaf de zesde 1932-1933 jaar na jaar. Officieel althans, want hogere klassen profiteerden officieus mee van de regimewijziging. Omstreeks 1934 domineerde het Nederlands overal. De eerste eentalige palmares is echter, zoals het moest, deze van het schooljaar 1937-1938. 

vlaamsgezinde leraars

De omschakeling lag uiterst gevoelig. Machinaties van bepaalde zijde noopten de directeur bij de invoering tot een openbare verklaring in Ons Tienen van 3 september 1932: 
'Er wordt beweerd dat het college in een ommezien 
zal vervlaamscht worden van hoog tot laag, 
dat er helemaal geen Fransch meer zal onderwezen worden, 
dat er een... "anti-Fransche taalgeest" zal aangekweekt 
worden, enz., enz.'
 
Hij deed die geruchten als larie af: er zou alleen gebeuren wat de aartsbisschop voorschreef, zoals in de officiële scholen en met maatregelen om het aanleren van de tweede taal degelijk te verzekeren. De verandering vlotte gemakkelijker door de komst van verscheidene vlaamsgezinde leraars: Van Dooren (1931), Moors (1933), Manderveld (1934). Zij en enkele doordrijvers onder de studenten activeerden de campagne voor het gebruik van ABN, die al in 1928 had gelopen. 

In de meeste colleges waren er in het korps wel een paar stevige tegenstanders. Te Diest was dat de Tiense oud-leerling, Leon Schammel, zoon van de oud-leraar. In ons college gedroeg wiskundeleraar Hermans zich rabiaat anti. Hij werd erom geviseerd door de tegenpartij. De poësis 29-30, bijvoorbeeld, sprak af om elke kopij van het huiswerk wiskunde te voorzien van het AVV-VVK. Sanctie: alle kopijen verscheurd en iedereen retenue, waarvan men pas na lang palaveren ontslagen werd. Désiré Freson, één van 'Vlaamse-leeuwtjes-de-voorsten', stond bij Hermans in een erg kwaad daglicht. Dat ondervond hij bij de proclamatie van 1933. Naar loffelijke gewoonte ontvingen alle oud-studenten, die de plechtigheid bijwoonden, dan een palmares. Niet echter Freson, want wie deelde de palmaressen uit? U vergist zich niet! Hermans werd echter spoedig daarop, in juli 1933, verplaatst naar de parochiedienst. Alleen Julien De Buck (1932) bleef als Vlamingenvreter over. Zijn gezindheid manifesteerde zich via de geniepigheden waarmee hij zijn beruchte reputatie opbouwde.

© kvr