toneel traditie

de oudste foto's


L'Archiduc Casimir (3 août 1903)


Les jeunes patriottes (11 juillet 1905)


Roode Sander (31 juli 1905)


Patrie radieuse (31 juillet 1905)

moors-manderveld


E.H. Manderveld

Collegetoneel begon als proclamatietoneel maar nam spoedig een hoge vlucht. De stukken beleefden sedert 1922 een soort van generale repetitie tijdens het directeursfeest. De theatermuze stelde zich weldra ook ten dienste van de collegefinancies. Het avondfeest van 17 juli 1928, twee dagen voor de prijsuitdeling, was een primeur in onze geschiedenis en werd een jaar later het tombolafeest. Op de affiche stond telkens het jaarlijkse toneelstuk, dat dan een breed publiek moest lokken. In de loop van januari, februari en april 1937 ging men zelfs een stap verder. Aangestoken door het enthousiasme van het regisseursduo Moors-Manderveld trok men op tournee met 'Het rare kosthuis' langs Orsmaal, Kerkom, Wever, Ezemaal en Boutersem. Voor de schoolkas werd het een fiasco. De kosten voor vervoer en eten rezen zodanig de pan uit dat het niet tot een herhaling kwam. De nachtelijke autobusreisjes, fietstochten, de sensatie van het spel in de vreemde omgeving maakten er echter een onvergetelijk avontuur van.

De publiciteit bleef niet beperkt tot advertenties in De Wekker of Ons Tienen. De vertoning van 'Gekruisigd' in 1938 werd aan de Tienenaars zowaar kond gedaan door sandwichboy Christiaens. Eind 1942 - in volle oorlog! - trok een belleman van de KSA door de stad om de extra-vertoningen van 'Hans Worst' aan te kondigen. Het succes van dit toneel mag evenwel niet verklaard worden vanuit de financiële overwegingen van een arme school. De toneelmicrobe had na de Eerste Wereldoorlog opnieuw en nog steviger dan tevoren velen te pakken. Het schooltoneel werd vooral meegezogen door de opgang van het Vlaamse Volkstoneel. Dit betekende nog niet dat er in de moedertaal werd gespeeld. Tot 1934 werd de hand gehouden aan een beurtrol bij de taalkeuze van het stuk. Pas na de vernederlandsing veranderde dit. Het laatste Frans was op de scène te horen in 'Le dit de celui qui aurait vu Saint Nicolas' (1934) van de schooltoneel-auteur bij uitstek, Henri Ghéon. Van hem had men ook al 'Le mort à cheval' (1928) en 'Les trois sagesses du vieux Wang' (1932) op de planken gebracht.

 

mabesoone

Dat men vernieuwing zocht voor het repertorium, bleek uit de reacties na de opvoering van 'La poudre aux yeux' (1926), een satire van Labiche en Martin 'op den geest van praalzucht en klatergoud van onzen tijd', geregisseerd door retoricaleraar Mabesoone. Het werd gemengd onthaald, wat de regisseur in De Wekker volgende kritische noot ontlokte: 
'Moeten we dan altijd vastgelijmd blijven aan bijbelstukken of klassieke declamatie?'
 
Uitsluitsel daarover kwam van inspecteur kan. Everaert, toen hij de proclamatie van 1935 presideerde. Op het programma: Anton van de Veldes 'Radeske', de kapitein van de schooljeugd, de lieve lastverkoper van zijn grootmoe Bonneke. In deze dromer van grote daden herkenden zich vele bengels uit die idealistische jaren dertig. De kanunnik vond het genre maar zo zo en beval dringend een meer klassieke keuze aan. Wat geschiedde!

 

 

 

de reymaeker-van dormael


E.H. Van Dormael

Nog een andere beperking lag voor de hand: geen vrouwenrollen! Kardinaal Van Roey condenseerde dit verbod in 1927 voor de schooldirecties nog eens in oekazevorm: 'Plus de pièces rôles mixtes!' 'Ultra-moderne stukken en ensceneering' waren uitgesloten (13.11.1931, directeursvergadering.) Binnen deze perken betrachtte men het betere werk: 'Elkerlijk' (1933), waarin twee latere leraars meespeelden: A. Chaltin als Gezelschap en E. Van Hulst - horen wij ergens gegrinnik? - als De Dood; Julius Caesar (1937); "t Spel van Maria Hoedeken' (1939), rederijkerstoneel, bewerkt door C. Lindemans, een bekende naam in het milieu van schooltheater en studentenbonden. In 1931 waagde men zich aan 'Willem Tell' van Schiller. De gezongen partijen werden ingeoefend door Van Dormael. De regie berustte bij De Reymaeker. Aan de piano leerling De Brabandere. 

 

 

 

michielsen

Achter de vernieuwende tendensen in ons schooltoneel stak in ruime mate E.H. Michielsen. Hij bracht de toneelsectie van de plaatselijke Davidsfondsafdeling tot een ongekende bloei en verrijkte met zijn creativiteit eveneens het spel van de collegejeugd. Zelf schreef hij trouwens in expressionistische trant 'Akke de heks'. Het werd ooit gespeeld onder de sterregisseur Renaat Verheyen. Zijn verregaande belangstelling voor het theater is hem in zijn verdere loopbaan niet in dank afgenomen. Tijdens de jaren voor de Tweede Wereldoorlog namen De Reymaeker en de tandem Moors-Manderveld de fakkel van hem over. Voor decorontwerpen werd regelmatig een beroep gedaan op kunstschilder Fons Stels en, als er muziekcomposities aan te pas kwamen, stond Pol Steels klaar. Technische klusjesman was Luc Evrard.

De meerdere kaskrakers kunnen als redelijk argument voor de spelkwaliteit ingeroepen worden. Aan begeestering ontbrak het de acteurs niet. De repetities waren alleszins minder saaie bedoeningen dan de studie, waarvan men meermaals ontslagen werd. Het offer van enkele vrije namiddagen nam men op de koop toe. Evenals de wat vervelende ultspraakoefeningen bij De Reymaeker. Tijdens de eerste voorbereidingen diende elkeen een papiertje, geknipt met twee zwaluwstaartjes, tussen de tanden te steken en een aantal zinnetjes op te zeggen.

Over de resultaten bij de opvoering vinden wij niets anders dan lovende bewoordingen. Helaas, bij de objectiviteit van onze bronnen - het directeursdagboek, De Wekker of Ons Tienen - plaatse men vraagtekens. Slechts zelden laat een vergoelijkende uitlating toch wat minder positiefs doorschemeren uit het verslag over 'Julius Caesar" (l 937): 'Sommigen vonden zekere toneelen wat ruw, doch dat is nu eenmaal het genre van den Engelschen meester.' Met de vertoning van dat stuk tijdens de proclamatie waren trouwens de duivel en zijn moer gemoeid. Het doek ging niet open, want de gordijnkoord brak. Tien minuten vertraging. Net voor het tweede bedrijf liet het licht het afweten. Twintig minuten vertraging. Amateurtoneel zonder dergelijke voorvallen? Kom nou!

 

laroy

Van 1960 tot 1972 piekte het collegetoneel opnieuw door de inspanningen van Wim Laroy, regisseur, soms acteur en zelfs auteur van kerststemmingstukjes. Anton Van de Velde droeg hij in het hart: Hans Worst (1962), Radeske (1965), naast meesterwerken als Julius Caesar (1964), de Klucht van meester Patelijn (1963), Wij zijn Gods Utopia (1969). In 'De twee Egyptische dieven' (naar Herodotos, 1970) speelden al gastactrices mee: Ria Marsé en Monique Lapidaire. Een prachtig afscheid was 'Erik' van Bomans (1972). Een andere tijdsgeest en de opdrachtwijziging van de huisregisseur (die sinds 1980 in ons kazernedeel miniatuurtheater 'het Koelieske' uitbouwde) hebben de teloorgang in de hand gewerkt. Maar let op, toneel is als de kat, het keert weer!

 



© kvr