hoogten en laagten

Ondanks alle financiŽle moeilijkheden en concurrentie groeide het college schoksgewijs. Tussen twee schoolbevolkingspieken, ca. 1930-1933 (551 in 1932) en ca. 1942-1946 (743 in 1945) registreert men perioden van teruggang, ca. 1925-1928 en 1935-1941. De grootste schommelingen deden zich uiteraard in de grootste afdeling voor, de lagere. 

De ups en downs vallen merkwaardig gelijk met de bewegingen in het nationale geboortecijfer. Als bijzondere redenen voor de terugval kan men de concurrentie van het officiŽle net en van de oefenschool van de katholieke normaalschool aanhalen, alsmede het wegvallen van de Waalse en sommige Franstalige scholieren door de vernederlandsing. De crisis in de landbouw na het bankroet van de Boerenbond eiste ook een tol: er daagden rond 1935 minder jongens uit het Hagelandse boerenmilieu op. Dit effect verslapte echter snel. 

De aanwas na 1941 is o. a. te wijten aan de vervollediging van de moderne afdeling. Bedrijven verlangden voor hun bedienden meer en meer het certificaat van volledige humaniora. De nataliteit had ook nu een positieve invloed op de groei van de basisschool, op dat moment nog een anachronistische term. De beweging van jongetjes naar de katholieke oefenschool (KNT) werd gestopt. De onderwijzers van het 1ste en 2de studiejaar ondernamen in 1942-1943 een persoonlijke wervingsactie. De oorlogsomstandigheden bepaalden zeker deze ontwikkeling. De directeur onderkende deze factor ten volle. Studenten, die in vredestijd in een internaat school zouden lopen, waren nu extern in de school uit de eigen omgeving. Er verschenen meer buitenjongens. De boerenstiel loonde nu immers, zodat ouders uit die stand zich de betaling van het schoolgeld konden permitteren. Men meende tevens dat het vakantiepatronaat van E.H. Palmaerts indruk maakte op ouders en hen won voor het vrij onderwijs. 

 

pr-man Brosens

Achter de stijging van ca. 1930 steekt zeker ook de figuur van directeur Brosens, die meesterlijk de public-relations van de school verzorgde. Hij bespeelde daarbij in de eerste plaats de dorpspastoors door regelmatige persoonlijke en schriftelijke contacten. De sterke aanwezigheid van deze geestelijken op de plechtige prijsuitdeling getuigt daarvan. Op 20 Juli 1931 waren er de dekens van Tienen en Zoutleeuw, de pastoors van O.-L.-Vrouw-ten-Poel, Grimde, H. Hart-Tienen, Hakendover, Wommersom, Melkwezer, Orsmaal, Goidsenhoven, Neerlinter, Drieslinter, Budingen, Overlaar, Outgaarden, Oorbeek, Hoksem, Overwinden, Waasmond, Roosbeek, Butsel, Wever, Kumtich, Neerheilissem, Meldert, Halle-Booienhoven, Lincent, een tweetal dominicanen en nog een drietal geestelijken uit Zoutleeuw, Landen en Hoegaarden. Als men Ons Tienen mag geloven, werd de proclamatie van 19 juli 1932 bijgewoond door dezelfde dekens, de overste van de dominicanen en niet minder dan 44 parochieherders. 

In 1942-1943 telde men in de middelbare afdeling 114 stadsjongens tegenover 177 leerlingen uit de buitengemeenten. Het jaar tevoren waren de cijfers nog in het voordeel van de stad. Blijkbaar waren de oorlogsweeŽn in 1942 wat weggeŽbd en hadden bepaalde aspecten van de oorlogseconomie hun vruchten afgeworpen. In de voorbereidende afdeling was de verhouding stad-buiten omgekeerd. De buitenjongens verschenen immers pas in de laatste twee jaren ervan. Velen mislukten in de overgangsproef voor de oude humaniora, waaraan zij werden onderworpen. Daardoor werden zij naar de voorbereidende verwezen. Een groot deel van hen verkoos de moderne humaniora. Een spoedige bediendenloopbaan had de voorkeur boven lange en dure universiteitsstudies. Bij de burgerbevolking van de stad lag dat anders. Ook voor de eigen kwekelingen werden in 1942 de toelatingsnormen tot de 6de Latijnse verstrengd. Alleen wie 65% of meer behaalde, werd doorgelaten.

© kvr